Douwe de Haan

Arbeidsjurist

Minister Van Gennip van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft begin oktober de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden in consultatie gebracht. Met dit voorstel moet het onderscheid tussen zelfstandigen en werknemers duidelijker worden. Daarnaast wordt voorgesteld om een rechtsvermoeden van werknemerschap in te voeren. Dit wetsvoorstel heeft ook voor de uitzendsector vergaande gevolgen. In dit artikel geven we een toelichting op dit wetsvoorstel.  

Achtergrond  

Het wetsvoorstel vloeit onder meer voort uit de wens om de arbeidsmarkt toekomstbestendig te maken. Veel zelfstandigen kiezen bewust voor het ondernemerschap en leveren daarbij, in de ogen van het kabinet, een belangrijke bijdrage aan de economie. Met het wetsvoorstel wil het kabinet de keerzijde daarvan tegengaan zoals (gedwongen) schijnzelfstandigheid. Met de maatregelen uit dit wetsvoorstel beoogt het kabinet ook het effect van schijnzelfstandigheid van uitzendarbeid zo klein mogelijk te houden. 

Aanpassing definitie arbeidsovereenkomst 

Het belangrijkste doel van het wetsvoorstel is het aanpassen van de definitie van de ‘arbeidsovereenkomst’. Concreet gaat het dan om het verduidelijken van het ‘in dienst van’-criterium. Uit de voorgestelde wettekst volgt dat daarvan sprake is, als: 

In de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt als toevoeging ook een zogenoemde C+-toets gegeven naar aanleiding van een element uit het recente Deliveroo-arrest. Zo kunnen ook de omstandigheden buiten de rechtsbetrekking van belang zijn, zoals de wijze waarop de werkende zich in het economisch verkeer gedraagt met betrekking tot vergelijkbare werkzaamheden.  

Rechtsvermoeden op basis van uurtarief 

Naast het voorgaande wil het kabinet dat er een rechtsvermoeden komt op basis van een uurtarief. Wanneer een werkende minder dan € 32,24 per uur verdient, wordt vermoed dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dit heeft tot gevolg dat de werkende makkelijker een beroep kan doen op een arbeidsovereenkomst. De bewijslast dat er geen sprake is van het verrichten van werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst ligt vervolgens bij de werkgever. 

Gevolgen voor uitzendondernemingen 

De verduidelijking van het wettelijke vereiste van ‘werken in dienst van’, heeft ook gevolgen voor uitzendondernemingen. Zo zal sneller duidelijk zijn wanneer er sprake is van inzet van schijnzelfstandigen in driehoeksrelaties. Als werkenden (bijvoorbeeld via bemiddeling of tussenkomst) worden ingezet om werk te verrichten bij een opdrachtgever en deze opdrachtgever vervolgens werkinhoudelijk gezag uitoefent, dan is er – afhankelijk van de feiten en omstandigheden van de situatie – in die verhouding sprake van een arbeidsovereenkomst of uitzendovereenkomst. Behalve werkinhoudelijk gezag dient ook beoordeeld te worden of er sprake is van organisatorische inbedding en of er voldoende sprake is van contra-indicaties voor het ‘werken in dienst van’-criterium. Hierdoor lijkt het minder aantrekkelijk om gebruik te maken van uitzendarbeid, maar dit effect wil het kabinet zo klein mogelijk houden. 

Voor meer informatie over de vraag wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst of van een overeenkomst van opdracht verwijzen we naar ons artikel waar we ingaan op het hiervoor genoemde Deliveroo-arrest

Vragen naar aanleiding van bovenstaande informatie? Dan kun je contact opnemen met je contactpersoon bij Florys. Natuurlijk kun je ook bellen met ons algemene nummer 0184-208208 of een mail sturen naar info@florys.nl.